UITSPRAAK

RECHTSPRAAK  11


beroep: Rechtbank Utrecht (19 december 2011)

aanvraag gemeentelijk monument brug Vianen: Nieuwegein

STICHTING BOOGBRUG VIANEN                        home       foto’s      aanvragen       rechtspraak      kunstuitingen      media     nieuws











૯RECHTSPRAAK_10.html
૯RECHTSPRAAK_12.html

vorige                  volgende

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU8731

Instantie

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak

19-12-2011

Datum publicatie

20-12-2011

Zaaknummer

SBR 11-1248

Rechtsgebieden

Bestuursrecht

Omgevingsrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg - enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Verzoek tot aanwijzing van een gemeentegrensoverschrijdende boogbrug als gemeentelijk monument. Verweerder heeft in redelijkheid tot de bestreden beslissing kunnen komen, waarin de afwijzing van het verzoek tot aanwijzing van de boogbrug als gemeentelijk monument wordt gehandhaafd.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht


zaaknummer: SBR 11/1248


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


de stichting Stichting Boogbrug Vianen, eiseres,

gemachtigde: mr. E.D.M. Verboom, advocaat te Eindhoven,


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein, verweerder,

gemachtigden: H. Koekoek en E. Slijper, werkzaam bij de gemeente Nieuwegein.


Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2010 heeft verweerder het verzoek van eiseres tot aanwijzing van de Boogbrug over de Lek tussen Vianen en Nieuwegein als gemeentelijk monument afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 1 maart 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.


Het beroep is, gevoegd met de zaak SBR 11/1240, behandeld ter zitting van 7 november 2011, waar eiseres is vertegenwoordigd door haar bestuurder, [A], bijgestaan door mr. Verboom, voornoemd. Namens verweerder zijn verschenen H. Koekoek en E. Slijper, voornoemd. Tevens is ter zitting verschenen het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, onderdeel Rijkswaterstaat, (hierna: Rijkswaterstaat) derde-belanghebbende, vertegenwoordigd door [B], werkzaam bij Rijkswaterstaat.


Overwegingen

1. De Stichting Boogbrug Vianen heeft tot doel het behouden van de twaalf bruggen over de grote rivieren, die zijn gebouwd in het kader van het Rijkswegenplan 1927. Een van deze bruggen is de in geding zijnde stalen boogbrug (hierna: de brug) over de Lek bij Vianen en Nieuwegein. De brug is aan de ene zijde van de rivier de Lek gelegen op het grondgebied van de gemeente Nieuwegein en aan de andere zijde van de rivier op het grondgebied van de gemeente Vianen. De brug is eigendom van Rijkswaterstaat.

In 2005 heeft eiseres verzocht om aanwijzing van de brug als Rijksmonument. Dit verzoek is afgewezen door de Staatsecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen bij besluit van 23 augustus 2005. Bezwaar, beroep en hoger beroep tegen dit besluit zijn alle ongegrond verklaard.


2. Op 5 januari 2010 heeft eiseres verweerder verzocht de brug aan te wijzen als gemeentelijk monument. Eenzelfde verzoek heeft eiseres op genoemde datum gericht aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vianen.


3. Verweerder heeft alvorens te beslissen op het verzoek advies gevraag aan de Gemeentelijke Monumentencommissie en aan Rijkswaterstaat. Beide instanties hebben negatief geadviseerd. Ook heeft overleg plaatsgevonden met de gemeente Vianen.


4. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vianen heeft bij besluit van 31 augustus 2010 eveneens afwijzend beslist op het verzoek van eiseres. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 3 maart 2011. Het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep is bij de rechtbank bekend onder nummer SBR 11/1240.


5. Eiseres heeft aangevoerd dat het advies van de Commissie bezwaarschriften van 22 december 2010 niet zorgvuldig tot stand is gekomen zodat het niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen worden gelegd. Eiseres heeft hiertoe aangevoerd dat in het advies klakkeloos het standpunt van verweerder is gevolgd en dat onvermeld blijft waarom de commissie meent dat verweerder op juiste gronden de aanvraag heeft afgewezen.


6. Dit betoog faalt. Het advies bevat een opsomming van hetgeen in bezwaar is aangevoerd alsmede, onder het kopje “overwegingen”, een uitvoerige uiteenzetting van het standpunt van verweerder met betrekking tot de gronden van bezwaar met daaraan afsluitend de conclusie dat de Commissie van oordeel is dat verweerder op juiste gronden heeft besloten de aanvraag af te wijzen. Hieruit kan niet anders worden afgeleid dan dat de Commissie zich schaart achter verweerders weerlegging van de bezwaargronden en die tot de hare heeft gemaakt. Aldus is gemotiveerd ingegaan op hetgeen in bezwaar is aangevoerd en is inzichtelijk gemaakt waarom dit volgens de Commissie dient te leiden tot een ongegrondverklaring van het bezwaar. Dat het advies van de Commissie onzorgvuldig tot stand is gekomen kan op grond hiervan niet worden aangenomen. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat daarvan sprake is. Derhalve kan niet worden gezegd dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de artikelen 3:49 en 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door dit advies aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen.


7. Eiseres heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte de afwijzing in het bestreden besluit met terugwerkende kracht heeft aangevuld met het, in haar ogen ondeugdelijke, argument dat hij de brug alleen voor dat deel dat binnen de gemeentegrenzen ligt zou mogen aanwijzen als gemeentelijk monument en dat een dergelijke gedeeltelijke aanwijzing elke betekenis mist. Eiseres heeft aangevoerd dat deze aanvulling ertoe leidt dat sprake is van een nieuw, voor bezwaar vatbaar, primair besluit, terwijl de heroverweging in bezwaar aldus bovendien leidt tot een verslechtering van de positie van eiseres, hetgeen in strijd is met het zogenaamde verbod op reformatio in peius.


8. Het betoog dat met de bovenbedoelde aanvullende motivering in het bestreden besluit in feite sprake is van een nieuw primair besluit is ter zitting door eiseres ingetrokken, zodat deze grond geen verdere bespreking behoeft.


9. Het betoog dat eiseres met deze aanvullende motivering door het bestreden besluit in een slechtere positie is gebracht, faalt. Op grond van het bepaalde in artikel 7:11 van de Awb vindt in bezwaar een heroverweging plaats. In dit artikel ligt het verbod besloten de heroverweging te gebruiken om een verslechtering van de positie van de belanghebbende te bewerkstelligen die zonder de bezwaarschriftprocedure niet mogelijk zou zijn. Van deze situatie is echter in het onderhavige geval geen sprake. Immers, de aanvraag was bij het primaire besluit afgewezen, welk besluit in bezwaar na heroverweging is gehandhaafd. Dat daartoe een aanvullende motivering is gebruikt – wat daar inhoudelijk thans van zij – is een aan verweerder in het kader van de heroverweging toekomende bevoegdheid en heeft in dit geval niet geleid tot een verslechtering van de positie van eiseres.


10. Tot slot heeft eiseres, samengevat, gesteld dat verweerder in redelijkheid niet tot afwijzing van de aanvraag had kunnen komen. Hiertoe heeft eiseres aangevoerd dat het advies van de Gemeentelijke monumentencommissie (hierna: de monumentencommissie) motiveringsgebreken vertoont, nu het kort gezegd slechts een ongemotiveerde matrix met plussen en minnen bevat, zodat het niet aan de bestreden beslissing ten grondslag had mogen worden gelegd. Daarnaast had deze commissie, gelet op de stukken die door eiseres zijn overgelegd en de lopende onderzoeken naar de historie en mogelijkheden met betrekking tot de brug, in redelijkheid niet tot een negatief advies kunnen besluiten.


11. Ingevolge artikel 1, van de Monumentenverordening Gemeente Nieuwegein is een monument een zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.


Artikel 3, eerste lid, van de Monumentenverordening bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument kan aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel vraagt het college van burgemeester en wethouders advies aan de monumentencommissie voordat het een besluit neemt over de aanwijzing.


12. De monumentencommissie heeft blijkens haar advies en bijlagen van 21 april 2010 de brug gewaardeerd door middel van een standaardbeoordeling op basis van een aantal vastgestelde criteria in combinatie met het toekennen van punten. De brug is beoordeeld op architectonische waarde, cultuurhistorische waarde, omgevingswaarde, ouderdom, zeldzaamheid en karakteristieke waarde. Om voor de status van gemeentelijk monument in aanmerking te komen is een score van 10 punten het minimum. De brug komt volgens de monumentencommissie met een score van 7,8 niet in aanmerking voor de status van gemeentelijk monument. In de bij het advies gevoegde waarderingstabel met toelichting, blijkt hoe de verschillende commissieleden de verschillende genoemde criteria ten aanzien van de brug hebben beoordeeld en gewogen.


13. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat het advies van de monumentencommissie in verband met de wijze van totstandkoming deugdelijk is.

De door eiseres in beroep geuite twijfels bij de deskundigheid van (leden van) de monumentencommissie zijn door haar op geen enkele wijze onderbouwd, hetgeen wel op haar weg had gelegen. De rechtbank ziet voor een dergelijke twijfel geen rechtvaardiging in de gedingstukken. Ook overigens is niet gesteld of aannemelijk geworden dat aan de wijze van totstandkoming van het advies gebreken kleven of dat niet is gehandeld overeenkomstig de Monumentenverordening.


14. Ook naar de inhoud kan het advies in redelijkheid niet als ondeugdelijk worden beschouwd. Vooropgesteld geldt dat het gegeven dat het advies in belangrijke mate steunt op een waarderingsmatrix die bestaat uit plussen en minnen en een weging in punten daarvan afhankelijk van het betreffende criterium, niet betekent dat sprake is van een ongemotiveerd advies over de beschermingswaardigheid van de brug. Uit dit advies blijkt hoe de commissieleden de brug hebben gewaardeerd op de verschillende relevante aspecten. Dat eiseres liever had gezien dat een toelichting zou zijn gegeven op de waarderingstabel is, in dit geval begrijpelijk. Er is echter onvoldoende grond voor de conclusie dat zonder deze toelichting het advies onvoldoende inzichtelijk is. Daaraan kan niet afdoen dat er andere instanties zijn die over de beschermingswaardige status van de brug een andere opvatting hebben, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het door eiseres bij de aanvraag al overgelegde rapport van de Nederlandse Bruggenstichting uit 1999 of van de Stichting Menno van Coehoorn. Evenmin komt doorslaggevende betekenis toe aan het gegeven dat de in de aanvraag van eiseres benadrukte ensemblewaarde van de nog bestaande bruggen van het Rijkswegenplan uit 1927 niet met zoveel woorden in het advies van de monumentencommissie is benoemd en gewogen. Noch in de Monumentenverordening noch anderszins is de nationale ensemblewaarde van een object als zelfstandig beoordelingscriterium voorgeschreven. Dat dit in de adviezen in het kader van de, afgewezen, aanvraag voor aanwijzing als Rijksmonument wel apart is benoemd is gelet op de aard van die aanvraag begrijpelijk, maar leidt niet tot de conclusie dat het in de onderhavige toetsing als apart beoordelingscriterium had behoren te worden meegewogen.


15. Bij dit alles komt dat verweerder de afwijzing in het primaire besluit van 16 juli 2010, dat in het bestreden besluit is gehandhaafd, niet alleen heeft gemotiveerd door verwijzing naar het advies van de monumentencommissie, maar daarbij tevens heeft verwezen naar het advies van Rijkswaterstaat en voorts waarde heeft gehecht aan een aantal andere met name genoemde aspecten, waaronder het feit dat de brug geen specifiek historisch belang heeft gehad voor de geschiedenis van de gemeenten Nieuwegein en Vianen, geen rol speelt in het behoud van de Hollandse Waterlinie, de brug zich niet meer in de oorspronkelijke staat bevindt en door de aanleg van fietsstroken afwijkt van het oorspronkelijk ontwerp, er al vier bruggen uit het Rijkswegenplan zijn aangewezen als rijksmonument, de nieuwgebouwde bruggen afbreuk doen aan de omgevingswaarde en de karakteristieke waarde van de brug en dat de hoge kosten gemoeid met het wegwerken van achterstallig onderhoud niet opwegen tegen de cultuurhistorische waarde van de brug. Op deze aspecten is door verweerder nader ingegaan in de heroverweging in reactie op de bezwaargronden, hetgeen blijkt uit het advies van de Commissie bezwaarschriften.

Al met al kan dan ook niet worden geoordeeld dat de motivering van verweerder om niet tot aanwijzing van de brug tot gemeentelijk monument over te gaan niet inzichtelijk of ondeugdelijk is gemotiveerd.


16. Uit het voorgaande volgt dat verweerder in redelijkheid tot de bestreden beslissing heeft kunnen komen. Of de in het bestreden besluit gegeven aanvullende motivering dat een gedeeltelijke aanwijzing elke betekenis mist, juist is, kan in het midden blijven, nu, wat daarvan ook zij, dit niet afdoet aan de conclusie dat verweerder op grond van het voorgaande het verzoek van eiseres heeft mogen afwijzen.


17. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing


De rechtbank,


verklaart het beroep ongegrond.


Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2011.


De griffier: De rechter:


mr. E.T. Timmerman-Roosjen mr. J.M. Willems


Afschrift verzonden op:


Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.