RECHTSPRAAK  8


3e kort geding: Rechtbank Den Haag   (27 november 2006)

aanhouding sloop brug bij Zaltbommel

ECLI:NL:RBSGR:2006:19347


Instantie

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak

27-11-2006

Datum publicatie

16-01-2014

Zaaknummer

276798 - 06-1423

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg - enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Kort geding, overheidsaansprakelijkheid, complexaanvraag of twaalf afzonderlijke aanvragen, sloop bruggen, Monumentenwet 1988. De Stichting heeft dezelfde argumenten ten grondslag gelegd aan haar vordering als in de bestuursrechtelijke procedure. De bestuursrechter heeft zich reeds uitgebreid uitgelaten in haar vonnis, daardoor komt het neer op een niet toegestaan verkapt hoger beroep. De Stichting wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter


Vonnis in kort geding van 27 november 2006,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 060/1423 van:


de stichting

Stichting Boogbrug Vianen,

gevestigd te IJsselstein,

eiseres,

procureur mr. D.J.G. Timmermans,

advocaat mr. E.D.M. Verboom te Eindhoven,


tegen:


de Staat der Nederlanden (Ministerie van Verkeer en Waterstaat),

zetelende te ‘s-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. E.H.P. Brans,

advocaten mrs. E.H.P. Brans en R.J.J. Aerts, beiden te ‘s-Gravenhage.


Partijen worden hierna ook ‘de Stichting’ en ‘de Staat’ genoemd.


1

Verloop van de procedure


Ter terechtzitting van 24 november 2006 heeft de Stichting gesteld en gevorderd overeenkomstig de dagvaarding. De Staat heeft verweer gevoerd.

Aan partijen is op 27 november 2006 een uittreksel uit het audiëntieblad verstrekt relaterend de uitspraak in deze zaak. Het onderstaande vormt een uitwerking daarvan.


2

De feiten


Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 24 november 2006 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.


2.1.

Bij Zaltbommel liggen drie bruggen over de Waal, een spoorbrug uit 1869 en twee bruggen voor wegverkeer uit respectievelijk (circa) 1933 en 1996. De brug uit 1933 is gebouwd in het kader van het Rijkswegenplan 1927 maar wordt thans al ongeveer tien jaar niet meer gebruikt. Deze brug zal hierna kortweg ‘de brug’ of ‘de brug over de Waal bij Zaltbommel’ worden genoemd.


2.2.

Tot 17 februari 2005 had de Stichting volgens haar statuten kort gezegd ten doel het behouden van een brug over de Lek bij Vianen.


2.3.

In 2002 heeft de Stichting verzocht de brug over de Waal bij Zaltbommel aan te wijzen als beschermd (rijks)monument in de zin van de Monumentenwet 1988. Bij besluit van 13 mei 2004 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna ook ‘de staatssecretaris’) dat verzoek afgewezen. De Stichting heeft vervolgens de (bestuursrechtelijke) rechtsmiddelen bezwaar, beroep en hoger beroep aangewend. Die rechtsmiddelen hadden echter geen resultaat vanwege, kort gezegd, de statutaire doelstelling die de Stichting tot 17 februari 2005 had.


2.4.

Sinds 17 februari 2005 bepalen de statuten van de Stichting het volgende:

‘De stichting heeft ten doel:

het behouden van de twaalf bruggen over de grote rivieren die gebouwd zijn in het kader van het Rijkswegenplan 1927;

het onder de aandacht brengen van de waarden en de schoonheid van deze bruggen; voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn alles in de ruimste zin des woords.’


2.5.

Van de in de (gewijzigde) statuten van de Stichting bedoelde twaalf bruggen (hierna ook ‘de twaalf bruggen’) zijn thans drie bruggen aangewezen als beschermd monument in de zin van de Monumentenwet 1988. Een van de twaalf bruggen is aangewezen als gemeentelijk monument.


2.6.

Bij brief van 29 september 2005 heeft de Stichting de staatssecretaris verzocht om de twaalf bruggen (gezamenlijk) aan te wijzen als beschermd monument. Naar aanleiding van deze brief heeft de staatssecretaris op 13 oktober 2005 het besluit genomen om ‘de brug over de Waal bij Zaltbommel’ niet aan te wijzen als beschermd monument, op grond van het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en onder verwijzing naar haar hiervoor genoemde besluit van 13 mei 2004. Bij brief van 21 november 2005 heeft de Stichting bezwaar gemaakt tegen dat besluit van de staatssecretaris. Hierop is bij brief d.d. 17juli 2006 beslist, zoals hierna uiteengezet zal worden onder 2.10.


2.7.

Bij verzoekschrift van 13 februari 2006 heeft de Stichting aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht, sector bestuursrecht verzocht enkele voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 8:81 Awb te treffen. Bij uitspraak van 28 maart 2006 heeft de voorzieningenrechter onder meer als volgt beslist:

‘De voorzieningenrechter:

3.1

wijst het verzoek toe, in die zin dat het besluit van [de staatssecretaris] van 13 oktober 2005 wordt geschorst tot zes weken nadat [de staatssecretaris] een primaire beslissing heeft genomen ten aanzien van de aanvraag van 29 september 2005 voorzover die ertoe strekt de 12 bruggen als groep aan te wijzen als beschermd monument; [..]’


2.8.

Door de betreffende gemeenten zijn sloopvergunningen verleend. Medio maart 2006 is met de sloop begonnen. Kort daarna is de sloop gestaakt. Vervolgens, kort na voormelde uitspraak van 28 maart 2006, is de sloop weer hervat. Bij vonnis van 11 april 2006 van de voorzieningenrechter te ‘s-Gravenhage is de Staat geboden ervoor zorg te dragen dat de sloop van de brug zal worden aangehouden tot zes weken nadat de staatssecretaris een primaire beslissing heeft genomen ten aanzien van de (complex) aanvraag van 29 september 2005 voorzover die ertoe strekt de 12 bruggen als groep aan te wijzen als beschermd monument.


2.9.

De staatssecretaris heeft bij brief van 1juni 2006 het verzoek van de Stichting van 29 september 2005 tot aanwijzing als één gezamenlijk beschermd monument met betrekking tot de groep van de 12 bruggen gelet op de artikelen 3 en 4 van de Monumentenwet 1988 afgewezen. De Stichting heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en op 14 november 2006 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. De beslissing op het bezwaar wordt eind december 2006 verwacht.


2.10.

Bij brief d.d. 17 juli 2006 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beslist op het bezwaarschrift van de Stichting van 21 november 2005. Het besluit van 13 oktober 2005 is herroepen en geoordeeld is dat:

‘alsnog inhoudelijk op het verzoek d.d. 29 september 2005 tot aanwijzing van de 12 stalen bruggen over de grote rivieren, gebouwd in het kader van het Rijkswegenplan 1927, als één monument cq. monumentencomplex [dient] te worden beslist.’

En de volgende alinea in deze brief luidt:

Dienaangaande is inmiddels bij besluit van 1 juni 2006, kenmerk MS-2005-4330 etc. inhoudelijk beslist op het verzoek d.d. 29 september 2005 tot aanwijzing als groep van 12 bruggen, waaronder begrepen de voormalige verkeersbrug brug over de Waal bij Zaltbommel, zodat daarmee aan het advies van voornoemde commissie is voldaan. Ik moge u naar bedoeld besluit van 1 juni 2006, dat in de plaats komt van het thans herroepen besluit van 13 oktober 2005, verwijzen.’


2.11.

Medio augustus 2006 is de Staat (wederom) aangevangen met de sloop van de brug over de Waal bij Zaltbommel. Deze werkzaamheden zijn gestaakt in verband met een door de Stichting op 24 augustus 2006 aangespannen kort geding bij de voorzieningenrechter te ‘s-Gravenhage. Zij vorderde de Staat op straffe van een dwangsom te gelasten dat hij ervoor zal zorgdragen dat de sloop van de brug over de Waal bij Zaltbommel zal worden aangehouden totdat de periode van de voorbescherming in de zin van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de complexaanvraag in zijn geheel zou zijn verstreken. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 8 september 2006 de Staat geboden ervoor zorg te dragen dat de sloop van de brug zal worden aangehouden totdat de terzake bevoegde voorzieningenrechter van de sector bestuursrecht op verzoek van de Staat een oordeel heeft gegeven met betrekking tot het besluit van 1 juni 2006 en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen.


2.12.

De Staat heeft een dergelijk verzoek ingediend. De voorzieningenrechter van de rechtbank te Utrecht, sector bestuursrecht, heeft vervolgens op 15 november 2006 geoordeeld dat de Staat het verzoek van de Stichting om de twaalf bruggen als één monument aan te merken terecht heeft opgevat als een verzoek om de monumentale status van elke brug op zich te beoordelen. Aangezien recent onherroepelijk was beslist dat de brug over de Waal bij Zaltbommel geen monumentale status toekwam heeft de Staat ook terecht besloten om niet opnieuw een advies in te winnen daarover, aldus voornoemde voorzieningenrechter. Gelet daarop, en verwijzend naar het bepaalde in artikel 5 van de Monumentenwet 1988 heeft de voorzieningenrechter te Utrecht overwogen dat het verzoek van de Stichting om de twaalf bruggen als één monument aan te merken geen schorsende werking heeft, waardoor de Staat tot sloop gerechtigd is.


2.13.

Op 15 november 2006 heeft ook de behandeling ter terechtzitting bij de rechtbank te Utrecht plaatsgevonden ten aanzien van de beroepsprocedure tegen de weigering na bezwaar d.d. 17 juli 2006 om de complexaanvraag van 29 september 2005 ten aanzien van ondermeer de verkeersbrug over de Waal bij Zaltbommel in behandeling te nemen. Op dit beroep zal op 13 december 2006 worden beslist.


3

De vordering, de gronden daarvoor en het verweer


De Stichting vordert - zakelijk weergegeven - de Staat op straffe van een dwangsom te gelasten dat hij ervoor zal zorgdragen dat de sloop van de brug over de Waal bij Zaltbommel zal worden gestaakt, althans aangehouden, totdat de periode van de voorbescherming in de zin van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de complexaanvraag in zijn geheel zal zijn verstreken, met kostenveroordeling.


Daartoe voert de Stichting het volgende aan. Zij is van mening dat de door haar ingediende complexaanvraag inzake de bescherming van de twaalf bruggen mogelijk is en niet gekwalificeerd kan worden als een nieuwe (herhaalde) aanvraag in de zin van artikel 4:6 lid 1 Awb, zodat de beoordeling op grond van artikel 4:6 lid 2 Awb in het onderhavige geval niet aan de orde is en de 12 bruggen (inclusief de brug over de Waal bij Zaltbommel) derhalve onder de voorbescherming van de Monumentenwet 1988 vallen. Dit betekent dat de sloop van de brug thans onrechtmatig is.


De Staat voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.


4

De beoordeling van het geschil


4.1.

De Stichting legt aan haar vordering ten grondslag dat de Staat jegens haar onrechtmatig handelt. De burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, is daarom bevoegd om van de vordering van de Stichting kennis te nemen. Nu vaststaat dat reeds met de sloop van de brug was begonnen, is daarmee het spoedeisend belang van de Stichting bij onderhavige vordering gegeven.


4.2.

De onderhavige vordering van de Stichting en de argumenten die zij daartoe aanvoert zijn nagenoeg gelijk aan de vordering die de Stichting op 24 augustus 2006 bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft ingediend. In de kern komt het er - kort gezegd - toen en thans weer (of eigenlijk nog steeds) op neer dat de Stichting van mening is dat een complexaanvraag mogelijk is, en niet gesplitst moet worden in (in casu twaalf) individuele aanvragen, en dat zij recht heeft op de voorbescherming van de Monumentenwet 1988 hangende de bezwaarprocedure.


4.3.

Inmiddels heeft de voorzieningenrechter te Utrecht, sector bestuursrecht, zich uitgebreid over deze kwestie uitgelaten in zijn vonnis van 15 november 2006. Hij heeft daarin beslist dat de Staat de complexaanvraag op de juiste manier in behandeling heeft genomen en dat het bezwaarschrift tegen de afwijzing van de aanvraag d.d. 29 september 2005 niet ertoe leidt dat de brug onder de voorbescherming van de Monumentenwet 1988 is komen te vallen. Nu de Stichting thans geen andere argumenten aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dan reeds in die bestuursrechtelijke procedure genoemd en beoordeeld, is de voorzieningenrechter met de Staat van oordeel dat de onderhavige vordering van de Stichting eigenlijk een verkapt hoger beroep is tegen het voornoemde vonnis van 15 november 2006 van de voorzieningenrechter te Utrecht. Een dergelijke vordering behoort niet door de civiele rechter beoordeeld te worden.


4.4.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Stichting niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering.


4.5.

De Stichting zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.


5

De beslissing


De voorzieningenrechter:


verklaart de Stichting niet-ontvankelijk in haar vordering;


veroordeelt de Stichting in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.064,--, waarvan € 816,-- aan salaris procureur en € 248,-- aan griffierecht.


Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 27 november 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

STICHTING BOOGBRUG VIANEN                        home       foto’s      aanvragen       rechtspraak      kunstuitingen      media     nieuws











૯RECHTSPRAAK_7.html
૯RECHTSPRAAK_9.html

vorige                  volgende



                                                      UITSPRAAK