RECHTSPRAAK  9


eerste aanleg: Rechtbank Utrecht (13 december 2006)

afwijzing aanvraag brug bij Vianen en Zaltbommel


35         DE AANVRAAG Verzoek tot beschermd monument brug bij Vianen  12 december 1999

35.1      Kadastrale gegevens brug Vianen

21.1      AANGEPASTE STATUTEN   Stichting Boogbrug Vianen    17 februari 2005

35.3      RAPPORT Nederlandse Bruggen Stichting 1999

35.4       “Bruggen in Nederland 1800-1940” p. 298 t:m 335

35.5.1    artikel uit STAAL 1936.pdf

35.5.2    artikel uit INGENIEUR 1933

35.5.3    artikel uit INGENIEUR 1934

35.5.4    artikel uit CRONYCK DE GEYN 1988

35.5.5    studierapport  LEO OORSCHOT 1992

35.5.6    diverse historische artikelen vakbladen


35.6       BIJLAGEN  boekje, Het voortraject van de aanvraag 12 augustus 1998


35.6.1    reactie van provincie ZUID HOLLAND

35.6.2    Reacties op BIJLAGEN

35.6.3    ADHESIE betuigingen

35.6.4    eisen door OCW


35.7       BOUW fotoboek bouw van de brug

36          REGISTRATIES  AANVRAAG  31 mei 2000

37.1       REACTIE van RWS

37.2.1    HOORZITTING gemeente VIANEN

37.2.2    ADVIES Monumenten Commissie VIANEN

37.2.3    RAADSVERGADERING VIANEN


37.2.4    BESLUIT VIANEN  22 novemer 2000

37.3.1    HOORZITTING gemeente NIEUWEGEIN

37.3.2     1e ADVIES Monumenten Commissie NIEUWEGEIN

37.3.2.1  2e ADVIES Monumenten Commissie NIEUWEGEIN

37.3.3     Politieke acties NIEUWEGEIN

37.3.3.1  RAADSVERGADERING NIEUWEGEIN


37.3.4     BESLUIT NIEUWEGEIN  19 november 2004

37.4        ADVIES RAAD VOOR CULTUUR  18 juni 2003

37.5        ADVIES provincie UTRECHT  10 maart 2005


38.1       BESLUIT OCW Nieuwegein  23 augustus 2005

38.2        BESLUIT OCW Vianen  23 augustus 2005


39           SLOOP vergunningaanvraag ingetrokken 19 april 2005

40           BEZWAAR op Vianen-solo 29 september 2005

8.3         UNESCO WERELD-ERFGOED   verzoekschrift tot voordracht

40.2         AMBTSBERICHT OCW  Vianen solo + Vianen complexonderdeel 28 februari 2006


41            BESLUIT OCW  Vianen solo 12 juni 2006

42            BEROEP 18 augustus  2006

42.1         BELEIDSREGELS OCW t.b.v. monumentenaanvagen

42.2.1      monumentenregistratie brug bij Alblasserdam

42.2.2      monumentenregistratie brug bij Nijmegen

42.2.3      monumentenregistratie brug bij Zwolle

42.2.4      prod. 24 artikel website Zwarts & Jansma

42.2.5      prod. 25 artikel spiegelbeeld

42.2.6      prod. 26 jaarverslag Vianen


23.3         HET COMPLEX  boekje,  aanvulling en samenvatting van de complexaanvraag   22 maart 2006


43            VERWEERSCHRIFT OCW  11 oktober 2006

43.1         COMPENDIUM BRUGGEN 1994

44.1         pleitnota OCW  15 november 2006

44.2         pleitnota Rijkswaterstaat  15 november 2006

44.3         pleitnota Stichting Boogbrug Vianen 15 november 2006

45            UITSPRAAK RECHTBANK UTRECHT  Zaltbommel-Vianen complexaanvraag, Vianen solo   27 december 2006

STICHTING BOOGBRUG VIANEN                        home       foto’s      aanvragen       rechtspraak      kunstuitingen      media     nieuws











૯RECHTSPRAAK_8.html
૯RECHTSPRAAK_10.html

vorige                  volgende



                                                      UITSPRAAK

ECLI:NL:RBUTR:2006:AZ6209

Instantie

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak

13-12-2006

Datum publicatie

16-01-2007

Zaaknummer

SBR 06/2826, 3116 en 3180

Rechtsgebieden

Bestuursrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg - enkelvoudig

Inhoudsindicatie

de aanvraag om de boogbrug over de Lek bij Vianen als bescherm monument aan te wijzen, is op goede gronden afgewezen, nu niet is gebleken van een zodanig bijzondere brug dat deze voor bescherming in aanmerking komt.

De afwijzingen van de herhaalde aanvragen voor deze brug en voor de brug over de Waal bij Zaltbommel heeft verweerder kunnen herroepen, gelet op het nieuwe primaire besluit.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht


zaaknummers: SBR 06/2826, 3116 en 3180


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2006


inzake


de Stichting Boogbrug Vianen,

gevestigd te IJsselstein,

eiseres,


en


de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

verweerder.


Inleiding

1.1 Het beroep, geregistreerd onder nummer SBR 06/2826, heeft betrekking op verweerders besluit van 12 juni 2006, waarbij verweerder de bezwaren van eiseres tegen zijn besluit van 23 augustus 2005 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder besloten om de aanvraag van eiseres, die ziet op het aanwijzen als beschermd monument van de stalen boogbrug over de Lek bij Vianen, af te wijzen.


1.2 Het beroep, geregistreerd onder nummer SBR 06/3116, dat eveneens ziet op de boogbrug over de Lek, heeft betrekking op verweerders besluit van 7 juli 2006, waarbij verweerder de bezwaren van eiseres tegen zijn besluit van 17 oktober 2005 (inhoudende de herhaalde afwijzing van de monumentale status) gegrond heeft verklaard en waarbij laatstgenoemd besluit is herroepen en is gewezen op het besluit van 1 juni 2006, waarbij het verzoek om de groep van twaalf stalen bruggen als één monument aan te wijzen is afgewezen.


1.3 Het beroep, geregistreerd onder nummer SBR 06/3180, dat ziet op de brug over de Waal bij Zaltbommel, heeft betrekking op verweerders besluit van 17 juli 2006, waarbij verweerder de bezwaren van eiseres tegen zijn besluit van 13 oktober 2005 (inhoudende de herhaalde afwijzing van de monumentale status) gegrond heeft verklaard en waarbij laatstgenoemd besluit is herroepen en eveneens is gewezen op voornoemd besluit van 1 juni 2006.


1.4 De beroepen zijn behandeld ter zitting van 15 november 2006, waar namens eiseres is verschenen W.J. van Sijl, bijgestaan door mr. E.D.M. Verboom, advocaat te Eindhoven. Namens verweerder is verschenen M.J. Sypkens Smit, werkzaam bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg te Zeist. De Staat der Nederlanden (het ministerie van Verkeer en Waterstaat) - verder: het ministerie - als eigenaar van de bruggen heeft zich laten vertegenwoordigen door R.J.T. Smit, werkzaam bij dit ministerie, bijgestaan door mr. R.J.J. Aerts, advocaat te Den Haag.


Overwegingen

2.1 Voor wat betreft de voorgeschiedenis en het wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 15 november 2006, geregistreerd onder nummer SBR 06/3347 VV. Een afschrift van die uitspraak is aangehecht.


SBR 06/2826


2.2 Verweerder heeft aan zijn besluit van 12 juni 2006 het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 4 mei 2006 ten grondslag gelegd. In dit advies is (onder meer) aangegeven dat deze brug niet voor rijksbescherming in aanmerking komt, omdat deze brug ten opzichte van het reeds van rijkswege beschermde bestand aan boogbruggen geen onmiskenbare meerwaarde heeft. Verder is het volgende aangevoerd: “Uitgangspunt bij de selectie van bruggen is dat deze alleen worden geselecteerd op hoofdcategorieën van constructie. Subcategorieën worden niet apart vertegenwoordigd. Enkel in geval een bepaalde subcategorie op meerdere belangrijke punten afwijkt van de hoofdcategorie, kan aanleiding bestaan om een brug uit deze subcategorie binnen de hoofdcategorie afzonderlijk te beschermen. De boogbrug over de Lek bij Vianen behoort tot de hoofdcategorie boogbruggen. Voor de boogbruggen geldt dat de bestaande selectie voldoet. Van de hoofdcategorie boogbruggen zijn, voor zover het gaat om bruggen uit het RWP 1927, reeds drie bruggen beschermd op rijksniveau. Het criterium van de zeldzaamheid is in de afweging betrokken. De boogbrug is weliswaar zeldzaam, maar dit enkele gegeven vormt geen aanleiding om de brug te beschermen op rijksniveau.”. In het verweerschrift is hieraan toegevoegd dat deze brug een subcategorie is van de categorie boogbruggen met trekband, omdat hier niet sprake is van een vakwerkboog, maar van een vollewandboog, bestaande uit kokers van geklonken staal. In het advies van 4 mei 2006 is voorts vermeld dat de oorspronkelijke visuele waarde van deze brug is verminderd door de aanleg van de dubbele nieuwe brug en dat de beoogde rustige vormgeving van deze brug thans wordt verstoord door de dubbele wegdekken en de aanleg van fietsstroken, die het zicht op de trekbanden en de boogaanzetten wegnemen. Ten slotte heeft verweerder er op gewezen dat ook de raden van de gemeenten Vianen en Nieuwegein een negatief advies hebben gegeven ter zake van de monumentale status van deze brug.

Ter zitting heeft verweerder hier nog aan toegevoegd dat er technisch-constructief geen sprake is van een bijzonder vernieuwende aanpak en dat ook de Raad voor Cultuur en de provincie een negatief advies hebben gegeven. Ten slotte heeft verweerder gesteld dat de brug bij Vianen niet werkelijk uniek te noemen is en derhalve geen onmiskenbare lacune zal opvullen in het bestand van reeds beschermde objecten uit de betrokken categorie.


2.3 Eiseres heeft gesteld dat deze brug in de eerste plaats van belang is als uitdrukking van een typologische ontwikkeling en als grote rivierbrug de eerste in zijn soort was en zodoende heeft bijgedragen aan de ontwikkeling op infrastructureel gebied in Nederland en de sociaal-economische ontwikkeling in de regio. Verder verschilt deze brug vanwege de toepassing van volwandige bogen en de plooiverstijvingen aan de buitenzijden van de bogen zodanig veel van de brug over de IJssel bij Zwolle dat een monumentale status gerechtvaardigd is, aldus eiseres. Hierbij is tevens de omvang van de brug, met een hoofdoverspanning van 160 meter en een booghoogte van 28,8 meter, van belang. Naar de mening van eiseres heeft verweerder de afwijzing ten onrechte (mede) gebaseerd op de monumentale status van de bruggen bij Zwolle, Hendrik Ido Ambacht en Nijmegen, nu dit drie vakwerkboogbruggen zijn, die om andere redenen als monument zijn aangewezen. Eiseres heeft verder gewezen op de fraaie en beeldbepalende ligging, die bijdraagt aan de stedenbouwkundige en landschappelijke waarde van de brug. Ter zake van de fietspaden heeft eiseres aangevoerd dat deze verwijderd kunnen worden, zonder daarbij de brug te beschadigen. Ten slotte heeft eiseres gesteld dat verweerder ten onrechte heeft gewezen op de financiële gevolgen van het handhaven van de brug, nu ook de door het ministerie gewenste sloop van de brug geld kost.

Ter zitting heeft eiseres nog gewezen op de ensemblewaarde, die tot uiting komt in de ingediende complexaanvraag voor de twaalf bruggen, waarvan een samenvatting is gegeven in het boekwerk, genaamd “Het complex”, uit maart 2006 en die nader is toegelicht in de ‘Synopsis 1, tussentijds overzicht van de aanvraag tot bescherming van het complex de 12 bruggen van het Rijkswegenplan 1927’ uit oktober 2006.


2.4 Het ministerie heeft ter zitting nog aangevoerd dat de brug al enkele jaren buiten gebruik is en dat er elk jaar hoge kosten mee zijn gemoeid om te waarborgen dat de brug geen gevaar oplevert voor het milieu en de veiligheid.


2.5 De rechtbank merkt allereerst op dat de aanvraag om deze brug een monumentale status te geven dateert van voor de complexaanvraag van 29 september 2005. In dit geding staat dan ook enkel deze brug centraal, zodat de rechtbank haar beoordeling daartoe zal beperken.


2.6 Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat verweerder in voldoende mate heeft aangetoond dat de onderhavige brug niet zodanig bijzonder is in vergelijking met reeds beschermde bruggen, dat deze eveneens voor rijksbescherming in aanmerking zou moeten komen. Verder is de rechtbank genoegzaam gebleken dat deze brug geen lacune in het bestand van reeds beschermde objecten opvult, nu de brug een variant is op een veel voorkomend type van constructies, waarbij de verschillen van ondergeschikte betekenis zijn. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen besluiten om deze brug niet als monument aan te wijzen. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat verweerder in dezen een ruime mate van beleidsvrijheid heeft en dat er vier negatieve adviezen over de monumentale status zijn uitgebracht. Dat de adviezen van de raden van de gemeenten Vianen en Nieuwegein (kennelijk) niet unaniem tot stand zijn gekomen, doet hieraan niet af.


2.7 Geoordeeld wordt dat verweerder ook aan de afwijzing ten grondslag heeft kunnen leggen dat er in de loop der tijd aan de brug en aan de pijlers aanpassingen zijn verricht, die niet zonder meer verwijderd kunnen worden.


2.8 Ten slotte wijst de rechtbank op de in 1999 uitgebrachte waardering door de Nederlandse Bruggen Stichting, waarin is vermeld dat de brug bij Vianen weliswaar in samenhang moet worden gezien met de overige bruggen uit het Rijkswegenplan 1927, maar dat in overleg met de beheerder van deze bruggen moet worden beoordeeld welke van deze bruggen als monument kunnen worden aangemerkt. Niet ten onrechte heeft verweerder vervolgens aangegeven dat thans reeds drie bruggen (bij Zwolle, Nijmegen en Hendrik Ido Ambacht) een monumentale status hebben verkregen en dat er ten gevolge van voornoemde complexaanvraag voor zeven bruggen nog een aanvraag loopt.


SBR 06/3116 en 3180


2.9 Verweerder heeft aan zijn besluiten van 7 en 17 juli 2006 - eveneens onder verwijzing naar voormeld advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 4 mei 2006 - ten grondslag gelegd dat er op 29 september 2005 een complexaanvraag is ingediend en dat bij het te nemen besluit dienaangaande ook de samenstellende elementen als onderdeel van dat complex beoordeeld moeten worden. Voor zover er al een beoordeling van afzonderlijke bruggen heeft plaatsgevonden, kan deze meegenomen worden bij de beoordeling van de complexaanvraag, aldus verweerder. Verweerder heeft in zijn besluit van 1 juni 2006 - dat thans niet in geding is - een besluit genomen ter zake van deze complexaanvraag.


2.10 Vast staat dat zowel ten aanzien van de brug over de Waal bij Zaltbommel (op 13 mei 2004) als ten aanzien van de brug over de Lek bij Vianen (op 23 augustus 2005) inmiddels een afwijzend besluit is genomen en dat dit besluit ten aanzien van de brug over de Waal inmiddels onherroepelijk is geworden. Hieruit volgt dat voor beide besluiten, ondanks de verschillende voortrajecten, thans hetzelfde beoordelingskader voorligt.


2.11 Verweerder heeft in zijn (primaire) besluit van 1 juni 2006 de complexaanvraag als zodanig afgewezen, waarbij eveneens een beslissing is genomen ten aanzien van deze twee bruggen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder in zijn besluiten op bezwaar van 7 en 17 juli 2006 in redelijkheid zijn besluiten van 17 en 13 oktober 2005 heeft kunnen herroepen, te meer nu hiermee wordt voorkomen dat er procedures door elkaar gaan lopen. De rechtbank acht hierbij verder van belang dat verweerder zich hiermee niet onttrekt aan enige procedure of anderszins weigert om op een aanvraag te beslissen.


2.12 De door eiseres aangevoerde bezwaren kunnen gelet op het voorgaande niet leiden tot vernietiging van de bestreden besluiten, zodat de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.


2.13 Ter zake van het verzoek van het ministerie om eiseres in de proceskosten aan de zijde van het ministerie te veroordelen, is de rechtbank van oordeel dat daartoe geen aanleiding bestaat, nu er geen sprake is van misbruik van procesrecht, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. De rechtspraak biedt hiervoor ook geen enkel aanknopingspunt.


Beslissing

De rechtbank Utrecht,


verklaart de beroepen ongegrond.


Aldus vastgesteld door mr. drs. R. in ’t Veld en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2006.


De griffier: De rechter:


mr. M.E. Companjen mr. drs. R. in ’t Veld


Afschrift verzonden op:


Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.